Mag ik onverkochte voorraad staal nog vernietigen?
Vernietigen van staalvoorraad is nog niet verboden
Voor onverkochte staal en halffabricaten van staal geldt op dit moment geen verbod op vernietiging vanuit de ESPR. De artikelen 23 tot en met 26 van Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR) gaan over het voorkomen van vernietiging van onverkochte consumptiegoederen. Staal en ijzeren halffabricaten die via de staalhandel naar metaalverwerkers en constructiebedrijven gaan, zijn doorgaans geen consumptiegoederen maar industriële input voor verdere verwerking. Of en hoe deze regels op termijn ook voor specifieke productgroepen buiten consumptiegoederen gaan gelden, hangt af van toekomstige gedelegeerde handelingen die per productgroep worden vastgesteld. Voor staal is zo'n handeling er nog niet.
Consumptiegoederen versus industriële halffabricaten
De ESPR maakt onderscheid tussen producten die rechtstreeks aan consumenten worden verkocht en producten die als grondstof of halffabricaat verder in de keten worden verwerkt. De artikelen 23 tot en met 26 richten zich op de eerste categorie: goederen die een marktdeelnemer niet heeft weten te verkopen aan de eindgebruiker en die vervolgens worden weggegooid of vernietigd in plaats van hergebruikt, gedoneerd of gerecycled. Een partij plaatstaal, profielen of coils die bij een staalhandel blijft liggen omdat een klant afhaakt, is in de praktijk geen consumptiegoed in de zin van deze bepalingen — het gaat om een halffabricaat dat nog een verwerkingsstap ondergaat bij een metaalbedrijf of constructiebedrijf. Dat onderscheid is de kern van de afbakening: de regels zijn geschreven voor de detailhandel en e-commerce in consumentenproducten (denk aan kleding, elektronica, meubels), niet voor B2B-voorraden in de metaalketen.
Dat betekent niet dat de metaalsector categorisch buiten elk toekomstig bereik van deze bepalingen valt. De ESPR is een kaderverordening: de precieze productgroepen waarvoor eisen gaan gelden — inclusief eventuele regels rond onverkochte voorraad — worden per productgroep ingevuld via gedelegeerde handelingen. Zolang zo'n handeling voor ijzer en staal niet is gepubliceerd, is er simpelweg nog geen regel die vernietiging van onverkochte staalvoorraad aan banden legt. De afbakening ligt dus niet alleen bij de aard van het product (consumptiegoed of niet), maar ook bij het feit dat er per sector een apart besluit nodig is voordat er iets concreets geldt.
Nog geen datum voor deze regels bij staal
Er is geen vaste datum waarop artikel 23 tot en met 26 van de ESPR gevolgen krijgen voor ijzer en staal. Voor sommige productgroepen, zoals textiel en schoeisel, zijn in de ESPR al specifieke bepalingen over vernietiging van onverkochte voorraad opgenomen. Voor andere productgroepen — waaronder metalen halffabricaten — moet eerst worden vastgesteld, via een gedelegeerde handeling, of en hoe dit type regel gaat gelden. Volgens het algemene werkplan van de Europese Commissie voor 2025-2030 wordt de eerste gedelegeerde handeling onder de ESPR in 2026 verwacht, met verplichtingen die daar doorgaans achttien maanden later op volgen. Of en wanneer dit specifiek voor ijzer en staal wordt uitgewerkt, staat nog niet vast. Tot een dergelijke handeling er is, verandert er niets aan de bestaande praktijk rond onverkochte voorraad in deze sector.
Wat dit voor de praktijk betekent
Voor een staalhandel of metaalverwerker met onverkochte voorraad is het eerste punt om vast te stellen of het gaat om een halffabricaat dat verder wordt verwerkt, of om een product dat rechtstreeks aan een eindconsument wordt geleverd — dat laatste komt in deze sector zelden voor, maar is niet ondenkbaar bij bepaalde afgewerkte producten. Bij een halffabricaat valt vernietiging van onverkochte voorraad op dit moment buiten het bereik van artikel 23 tot en met 26. Het tweede punt is het volgen van de gedelegeerde handelingen die de Europese Commissie publiceert: zodra ijzer en staal (of een specifieke subcategorie daarvan) wordt aangewezen, ontstaat er duidelijkheid over of en welke voorwaarden gaan gelden. Het derde punt is intern vastleggen wat er met onverkochte voorraad gebeurt — niet omdat dit nu verplicht is, maar omdat een dossier met herkomst, bestemming en reden van afvoer sowieso aansluit bij de algemene lijn van het digitaal productpaspoort en bij toekomstige rapportageverplichtingen als die er komen.
De basis: artikelen 23 tot en met 26 ESPR
Deze uitleg is gebaseerd op de artikelen 23 tot en met 26 van Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), die gaan over het voorkomen van vernietiging van onverkochte consumptiegoederen. Voor de precieze reikwijdte, de productgroepen waarvoor al specifieke regels gelden en de procedure voor toekomstige gedelegeerde handelingen is de officiële tekst van de verordening de aangewezen bron.
Wie nu al greep wil houden op deze ontwikkeling, kan het beste de eigen productcategorie in de gaten houden bij publicatie van nieuwe gedelegeerde handelingen onder de ESPR, en alvast een eenvoudige interne registratie bijhouden van wat er met onverkochte voorraad gebeurt. Zodra er voor ijzer en staal concrete regels komen, wordt dat op dit platform bijgewerkt.
Waar dit op gebaseerd is
De verordening zelf staat op EUR-Lex. Wij verwijzen per bewering; u hoeft ons niet te geloven.
Wat u concreet moet doen
Wat er van u wordt verwacht
De ESPR bevat een regeling die vernietiging van onverkochte consumptiegoederen aan banden legt: de artikelen 23 tot en met 26 van Verordening (EU) 2024/1781. Dat is nieuw ten opzichte van de bestaande praktijk, waarin een partij overtollig of afgekeurd materiaal doorgaans zonder veel omhaal kon worden afgevoerd. Voor staal en andere halffabricaten ligt dat straks anders, al is nog niet vastgelegd wanneer en voor welke productcategorieën dat gaat gelden — de verordening voorziet in gedelegeerde handelingen per productgroep, en die zijn er voor staal nog niet.
Openbaarmaking van vernietigde onverkochte producten
Bedrijven die onder de regeling vallen, worden verwacht periodiek informatie openbaar te maken over de hoeveelheid onverkochte producten die zij vernietigen, met een toelichting op de redenen. Voor een staalhandel of metaalverwerker met 10 tot 100 medewerkers betekent dit praktisch dat de afvoer van bijvoorbeeld een partij plaatstaal die niet meer aan de oorspronkelijke bestelling voldoet, niet meer een intern, ongedocumenteerd proces kan blijven. Er moet een cijfer en een reden achter zitten, en dat cijfer moet op enig moment naar buiten kunnen.
Verbod op vernietiging voor aangewezen productgroepen
De verordening biedt de basis om voor specifieke productcategorieën een daadwerkelijk verbod op vernietiging van onverkochte producten in te stellen. Dat gebeurt niet automatisch voor alle producten; het moet per productgroep worden aangewezen. Of en wanneer dat voor staal en staalhalffabricaten gebeurt, staat nog niet vast. Wat wel vaststaat, is de richting: de wetgever wil dat vernietiging de uitzondering wordt in plaats van een vanzelfsprekende sluitpost. Een bedrijf dat nu al voorraadbeheer en afvoerprocessen op orde brengt, loopt daarmee niet voor de troepen uit zonder nut — zie ook wat kan ik nu al doen terwijl de regels nog niet definitief zijn?.
Uitzonderingen en de bewijslast daarvoor
De regeling voorziet in uitzonderingsgronden, bijvoorbeeld voor producten die vanwege veiligheid of gezondheid niet in de handel gebracht kunnen blijven. Een verbogen of gescheurde plaat, of materiaal dat niet meer aan een certificeringseis voldoet, valt onder omstandigheden mogelijk onder zo'n uitzondering. Praktisch betekent dit dat een bedrijf niet zomaar kan volstaan met "het was niet meer verkoopbaar" als reden; er moet iets zijn dat die uitzondering onderbouwt. Voor een middelgroot bedrijf komt dit neer op een vastgelegde beoordeling per partij, niet op een mondelinge afspraak op de werkvloer.
Rapportage richting toezicht en publiek
Naast de eigen openbaarmaking voorziet de verordening in de mogelijkheid dat een toezichthouder om onderliggende gegevens vraagt. Dat sluit aan bij wat ook elders in de ESPR-keten gebeurt: zie wat vraagt een toezichthouder bij een controle op staal?. Een bedrijf dat zijn afvoerredenen alleen in hoofden van medewerkers heeft zitten, staat dan met lege handen.
Waar het misgaat in de praktijk
Een paar situaties komen terug bij bedrijven die zich hierop voorbereiden of er per ongeluk tegenaan lopen.
Een magazijnmedewerker voert een partij restcoils af naar de schroothandel omdat er "toch geen vraag meer naar is", zonder dat iemand dat besluit heeft vastgelegd of getoetst aan een uitzonderingsgrond. Zes maanden later is niet meer te reconstrueren waarom die partij is vernietigd in plaats van alsnog verkocht of hergebruikt.
Een bedrijf combineert de afvoer van onverkochte, technisch prima bruikbare voorraad met de afvoer van écht afgekeurd materiaal in één verzamelpost "afval metaal". Daardoor is er geen onderscheid meer te maken tussen wat onder de nieuwe regeling zou vallen en wat daarbuiten valt.
Een fabrikant gaat ervan uit dat de regeling toch pas over jaren relevant wordt en stelt elke vastlegging uit. Als de gedelegeerde handeling voor staal er wel komt, ontbreekt dan een basis van historische gegevens om de eerste rapportageperiode mee te vullen.
Een handelsbedrijf met meerdere vestigingen voert het afvoerbeleid op elke locatie anders uit: de ene vestiging houdt bij waarom iets wordt vernietigd, de andere niet. Dat wordt lastig zodra er één geconsolideerd overzicht moet komen — een vraagstuk dat breder speelt, zie hoe regel ik het productpaspoort als ik meerdere vestigingen heb.
Een bedrijf verwart de regeling over onverkochte producten met de regels rond het productpaspoort zelf, en denkt dat vernietigen van voorraad ook het paspoort "opheft". Dat zijn twee gescheiden vraagstukken: het paspoort gaat over informatie bij het product, de artikelen 23 tot en met 26 gaan over wat er met het fysieke product gebeurt als het onverkocht blijft.
Wat u kunt vastleggen
- Een intern register van onverkochte partijen die worden afgevoerd, met datum, hoeveelheid, en de reden van afvoer.
- Een beoordelingsformulier per partij waarin wordt vastgelegd of een uitzonderingsgrond (veiligheid, gezondheid, technische ongeschiktheid) is beoordeeld en op basis van welke gegevens.
- Een gescheiden boekhouding tussen "afgekeurd materiaal" (nooit verkoopbaar geweest) en "onverkocht materiaal" (wel verkoopbaar, maar niet verkocht), zodat rapportage achteraf mogelijk is.
- Een vast aanspreekpunt of proceseigenaar per vestiging voor beslissingen over vernietiging, met een eenduidig protocol als er meerdere locaties zijn.
- Een overzicht van de stand van de gedelegeerde handelingen per productgroep, zodat duidelijk is wanneer een verbod voor staal specifiek gaat gelden — die stand volgen wij en verwerken wij zodra er nieuws is.
Voor bedrijven die dit willen inbedden in de bredere voorbereiding op het productpaspoort is het zinvol dit te combineren met het inrichten van gegevensbeheer over voorraad die er al ligt op het moment dat verplichtingen ingaan, zie wat doe ik met voorraad staal die er al ligt als de regels ingaan?. Ook is het praktisch om personeel dat dagelijks beslist over afvoer en vernietiging mee te nemen in instructie over wat wel en niet vastgelegd moet worden, zie hoe train ik mijn personeel om met het productpaspoort te werken.
Dit is geen juridisch advies. Deze pagina geeft algemene informatie over de regelgeving waar dit platform over gaat. Wij kennen uw situatie niet. Bij twijfel over uw eigen geval raadpleegt u een jurist of de bevoegde toezichthouder.
Geschreven met AI op basis van de bronnen hierboven, gecontroleerd door een mens op 2026-08-22. Klopt er iets niet? Laat het weten — correcties krijgen voorrang.