Wat verandert de ESPR voor de staalsector?
De ESPR maakt van ecologisch ontwerp een wettelijke basis, ook voor staal
De ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) is geen wet die morgen concrete eisen aan een stalen profiel of plaat stelt. Het is een kaderverordening: hij regelt hóe de EU per productgroep eisen kan gaan stellen aan het ecologisch ontwerp van producten, en hij introduceert het digitaal productpaspoort als middel om die eisen aantoonbaar te maken. Voor de staalsector betekent dit dat er een wettelijk fundament ligt waarop toekomstige, productgroep-specifieke regels gebouwd gaan worden — maar die regels voor ijzer en staal zijn er op dit moment nog niet. De verordening zegt dus vooral: dit systeem gaat gelden, en zo gaat het werken, zodra de Commissie een gedelegeerde handeling voor een specifieke productgroep vaststelt.
Voor fysieke producten in de EU-markt, met een aantal uitzonderingen
Artikel 1 van de ESPR bepaalt het toepassingsgebied: de verordening geldt in beginsel voor fysieke goederen die op de EU-markt worden gebracht of in gebruik worden gesteld, wat halffabricaten van ijzer en staal in principe onder het bereik van de verordening brengt. Een aantal categorieën valt buiten dat bereik, zoals levensmiddelen, diervoeder, geneesmiddelen, levende planten en dieren, en voertuigen die al onder een eigen typegoedkeuringsregime vallen. Staal en ijzer horen niet bij die uitzonderingen.
Wat hier wél toe doet, is een ander onderscheid: dat het gaat om producten in het algemeen, en dat concrete verplichtingen pas ontstaan als er voor een specifieke productgroep — zoals staal — een gedelegeerde handeling is vastgesteld. Zolang die er niet is, bestaat de wettelijke basis wel, maar de daadwerkelijke eisen (over recyclaatgehalte, duurzaamheid, informatieverplichtingen, digitaal productpaspoort) nog niet. De ESPR regelt dus het "hoe" en het "voor wie in beginsel", niet meteen het "wat" voor staal specifiek.
Nog geen vaste datum, wel een werkplan waar staal in past
Er is geen datum waarop de ESPR-verplichtingen voor ijzer en staal ingaan, en die datum ligt op dit moment ook niet vast. Wat wel vaststaat, is het mechanisme: de Commissie werkt met een werkplan voor de periode 2025-2030 waarin productgroepen worden aangewezen en van gedelegeerde handelingen worden voorzien. Voor het eerste pakket gedelegeerde handelingen wordt gerekend op 2026, en verplichtingen die daaruit volgen, gaan doorgaans pas een aantal maanden later daadwerkelijk gelden — gangbaar is een termijn van achttien maanden na publicatie van zo'n handeling.
Tot een gedelegeerde handeling voor ijzer en staal is gepubliceerd, gelden er vanuit de ESPR zelf geen concrete ecodesign-eisen of paspoortverplichtingen voor deze sector. Zodra dat wel gebeurt, verschijnt de datum hier.
Eerst het kader begrijpen, dan de eigen dataketen op orde brengen
Voor wie in de staalhandel, metaalverwerking of constructie werkt, is de meest praktische volgorde: eerst weten dát dit kader bestaat en waar het vandaan komt, dan volgen wat er in het werkplan voor ijzer en staal wordt aangekondigd, en pas daarna concrete stappen zetten. Een gedelegeerde handeling voor deze productgroep is een aankondiging vooraf, geen verrassing achteraf — wie het werkplan volgt, ziet aankomen wanneer en voor welke producten eisen gaan gelden.
Praktisch gezien is het nuttig om nu al in kaart te brengen welke gegevens een fabrikant of importeur al beschikbaar heeft over herkomst, samenstelling en verwerking van een product, omdat een toekomstig digitaal productpaspoort op dat soort gegevens zal steunen. Dat is geen verplichting die nu al voortvloeit uit de ESPR, maar wel een voorbereiding die weinig kost en later tijd scheelt. Verder is het zinvol om te onderscheiden tussen wat de ESPR als kaderwet regelt (het systeem, het paspoort, de bevoegdheid tot het stellen van eisen) en wat pas met een productgroep-specifieke handeling wordt vastgelegd (de daadwerkelijke normen voor staal). Wie dat onderscheid scherp houdt, voorkomt dat er nu al actie wordt ondernomen op basis van eisen die formeel nog niet bestaan.
Grondslag: artikel 1 van de ESPR en de toelichting van de Europese Commissie
Dat de ESPR een kaderverordening is met een algemeen toepassingsgebied, volgt uit artikel 1 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781), dat het onderwerp en het toepassingsgebied van de verordening vastlegt. De werking van het systeem — dat eisen per productgroep via gedelegeerde handelingen tot stand komen, en dat het digitaal productpaspoort daarbij het instrument is — wordt toegelicht op de pagina van de Europese Commissie over de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten.
Wie wil weten of en wanneer er voor een specifiek staalproduct concrete verplichtingen gaan gelden, kan dat het beste volgen via het werkplan van de Commissie en via deze pagina, die wordt bijgewerkt zodra een gedelegeerde handeling voor ijzer en staal is gepubliceerd. Tot die tijd is het verstandig om de eigen productgegevens op orde te brengen, zodat een toekomstig paspoort met zo min mogelijk extra werk kan worden samengesteld.
Waar dit op gebaseerd is
- Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), artikel 1 (onderwerp en toepassingsgebied)
- Europese Commissie — verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten
De verordening zelf staat op EUR-Lex. Wij verwijzen per bewering; u hoeft ons niet te geloven.
Wat u concreet moet doen
De ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) is een kaderverordening. Dat betekent dat de verordening zelf geen productgroepen aanwijst en geen eisen stelt aan staal specifiek — dat gebeurt pas via gedelegeerde handelingen die per productgroep worden vastgesteld. Wat de ESPR wél doet, staat in artikel 1: ze zet het systeem neer waarmee de EU ecologisch ontwerp, informatieverplichtingen en het digitaal productpaspoort kan opleggen aan bijna elke fysieke productcategorie die op de Europese markt komt. Voor de staalsector is dat een verandering van andere orde dan de gebruikelijke normen en certificeringen: er komt een verplichting om productinformatie digitaal, gestructureerd en voor de hele levensduur van het product beschikbaar te houden.
Wat er van u wordt verwacht
Vaststellen of het product onder een productgroep valt
Niet elk stalen halffabricaat krijgt automatisch een paspoort. Dat hangt af van welke productgroepen de Commissie aanwijst in een gedelegeerde handeling, en op welk niveau: een plaat, een profiel, een samengesteld onderdeel. Een bedrijf van 10 tot 100 medewerkers dat platen, buizen of profielen verhandelt, doet er praktisch verstandig aan om per productlijn te volgen welke producten van de staalsector onder de ESPR gaan vallen zodra de Commissie daar duidelijkheid over geeft. Dat is nu nog niet vast te stellen op basis van de verordening zelf.
Onderscheid maken tussen halffabricaat en eindproduct
De ESPR raakt niet alleen eindproducten. Ook halffabricaten kunnen een paspoort nodig hebben, afhankelijk van hoe de productgroep is afgebakend en op welk punt in de keten de verplichting wordt gelegd. Voor een staalhandel die materiaal doorverkoopt aan een constructiebedrijf is dit een reëel aandachtspunt: of het paspoort ook geldt voor halffabricaten van staal bepaalt namelijk wie in de keten de gegevens moet aanleveren en wie ze alleen doorgeeft.
Gegevens verzamelen en aanleveren
Zodra een productgroep is aangewezen, komt er een verplichting om bepaalde gegevens over het product vast te leggen — denk aan herkomst, samenstelling, of eigenschappen die relevant zijn voor hergebruik en recycling. Praktisch betekent dit dat een fabrikant of importeur van staal deze gegevens moet kunnen aanleveren aan wie het paspoort samenstelt. Voor een middelgroot bedrijf is dit vaak een organisatorische opgave: gegevens die nu verspreid staan in interne systemen, certificaten en leveranciersdocumentatie, moeten worden samengebracht in een vorm die geschikt is voor een paspoort.
Het paspoort en de datadrager beschikbaar houden
Een productpaspoort moet gedurende de levensduur van het product toegankelijk blijven via een datadrager, doorgaans een QR-code op of bij het product. Dat is geen eenmalige actie: het paspoort moet te raadplegen zijn door partijen verderop in de keten, ook jaren later. Een bedrijf dat staal verwerkt of doorverkoopt, krijgt hierdoor te maken met de vraag hoe lang en op welke manier deze data beschikbaar blijft, en wie daarvoor verantwoordelijk is als het bedrijf zelf niet die rol op zich neemt.
Bepalen wie welke gegevens mag inzien
Niet alle gegevens in een paspoort zijn voor iedereen zichtbaar. Sommige informatie is bedoeld voor toezichthouders, andere voor de volgende schakel in de keten, weer andere voor de eindgebruiker. Dit raakt een vraag die voor veel staalbedrijven gevoelig is: of bedrijfsgevoelige gegevens over de samenstelling of het proces openbaar moeten worden. De verordening voorziet in gelaagde toegang, maar de precieze invulling daarvan volgt ook uit de gedelegeerde handelingen per productgroep.
Waar het misgaat in de praktijk
Een aantal situaties komt in de praktijk steeds terug bij bedrijven die zich voorbereiden op het productpaspoort:
- Te vroeg beginnen met de verkeerde aanname. Een bedrijf denkt dat de verplichting al vaststaat voor zijn product, terwijl de betreffende gedelegeerde handeling nog niet is gepubliceerd. Er wordt geïnvesteerd in systemen die achteraf niet aansluiten op de uiteindelijke eisen.
- Gegevens verzamelen zonder structuur. Een bedrijf begint documentatie te verzamelen over samenstelling en herkomst, maar doet dit ad hoc, zonder vast format. Wanneer de eisen concreet worden, moet het werk opnieuw worden gedaan.
- Onduidelijkheid tussen leverancier en afnemer. Een staalhandel gaat ervan uit dat de fabrikant het paspoort aanlevert; de fabrikant gaat ervan uit dat de handel dat doet omdat die het product bewerkt. Niemand legt dit vooraf vast.
- Verwarring over wat openbaar moet zijn. Een bedrijf deelt uit voorzorg meer gegevens dan nodig, of juist te weinig, omdat onduidelijk is welke gegevens voor welke partij zichtbaar moeten zijn.
- Geen aandacht voor de lange bewaartermijn. Een bedrijf richt zich op het moment van verkoop, maar vergeet dat het paspoort en de datadrager over jaren nog raadpleegbaar moeten zijn, ook als het bedrijf zelf van systeem wisselt of stopt met een productlijn.
Wat u kunt vastleggen
Ook voordat de gedelegeerde handeling er is, is het praktisch om een aantal zaken op orde te zetten:
- Een overzicht per productlijn van welke stalen halffabricaten en eindproducten het bedrijf op de markt brengt, zodat snel te bepalen is of het productpaspoort voor het eigen staal gaat gelden zodra de regelgeving concreet wordt.
- Een inventarisatie van welke gegevens over herkomst, samenstelling en verwerking al beschikbaar zijn, en in welke systemen.
- Afspraken met leveranciers en afnemers over wie welke gegevens aanlevert, vooruitlopend op de vraag welke gegevens straks in het productpaspoort van staal moeten komen.
- Een aantekening van de contactpersoon en het proces voor het bijhouden van wijzigingen in de regelgeving, inclusief de vraag wanneer het productpaspoort voor staal verplicht wordt.
- Een notitie over welke gegevens het bedrijf als bedrijfsgevoelig beschouwt, zodat dit gesprek niet pas ontstaat op het moment dat een paspoort daadwerkelijk moet worden samengesteld.
Deze voorbereiding legt geen verplichtingen vast die er nog niet zijn, maar zorgt ervoor dat een bedrijf niet bij nul begint zodra de eerste gedelegeerde handeling voor staal wordt gepubliceerd.
Dit is geen juridisch advies. Deze pagina geeft algemene informatie over de regelgeving waar dit platform over gaat. Wij kennen uw situatie niet. Bij twijfel over uw eigen geval raadpleegt u een jurist of de bevoegde toezichthouder.
Geschreven met AI op basis van de bronnen hierboven, gecontroleerd door een mens op 2026-08-22. Klopt er iets niet? Laat het weten — correcties krijgen voorrang.