Hoe geef ik elk product een unieke identificatiecode?
Elk product krijgt een eigen unieke identificatiecode
Ja, onder de ESPR moet elk product dat onder het digitale productpaspoort valt te herleiden zijn tot één unieke identificatiecode. Artikel 12 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) bepaalt dat het paspoort gekoppeld is aan zo'n code, zodat een productpaspoort niet los in de lucht hangt maar altijd eenduidig aan één specifiek product — of, afhankelijk van het productgroep-specifieke gedelegeerde handeling, aan een batch of model — te koppelen is. Die code is de sleutel waarmee een marktdeelnemer, een handelspartner of een toezichthouder het juiste paspoort terugvindt via de QR-datadrager op het product. Zonder unieke code werkt het systeem niet: meerdere producten zouden dan naar hetzelfde paspoort kunnen verwijzen, of een paspoort zou niet aantoonbaar bij één product horen.
Voor wie en voor welke producten dit geldt
Deze verplichting geldt voor producten waarvoor een gedelegeerde handeling onder de ESPR is vastgesteld en die daarmee onder de digitale-paspoortplicht vallen. Voor ijzer en staal (halffabricaten) is die gedelegeerde handeling er nog niet; de verplichting tot een unieke identificatiecode ontstaat dus pas op het moment dat de sector-specifieke regels voor ijzer en staal van kracht worden. Artikel 12 zelf beschrijft het principe — dat er een unieke identificatiecode moet zijn — maar de precieze vorm, opbouw en eventuele koppeling aan een uniek identificatienummer van de marktdeelnemer of van een productielocatie wordt per productgroep verder ingevuld. Het geldt dus niet voor producten die buiten de ESPR-productgroepen vallen, en niet voor de periode voordat de sector-specifieke gedelegeerde handeling van kracht is.
Vanaf wanneer de code verplicht wordt
Een vaste datum is er nog niet. Het ESPR-werkplan 2025-2030 voorziet een eerste gedelegeerde handeling in 2026, met verplichtingen die daarna nog eens gaan gelden na een periode van achttien maanden; voor ijzer en staal is nog niet bekend wanneer die handeling precies komt of wat de exacte ingangsdatum wordt. Tot die tijd is er geen wettelijke verplichting om producten van een unieke identificatiecode in de zin van artikel 12 te voorzien. Dat betekent niet dat er niets te doen valt: bedrijven die nu al met interne artikelcodes, chargenummers of batchnummers werken, hebben met die systemen vaak al een bruikbaar vertrekpunt liggen voor wanneer de verplichting wel gaat gelden. Zodra de gedelegeerde handeling voor ijzer en staal is gepubliceerd, wordt de datum hier vermeld.
Zo pak je de toekenning van de code aan
De volgorde waarin dit meestal wordt opgepakt begint bij het inventariseren van wat er al is: veel producenten en importeurs van staal en ijzer hebben al een vorm van batch- of chargenummering, en die bestaande identificatie is een logisch startpunt. Daarna is het van belang om na te gaan of die bestaande code op het juiste niveau zit — per product, per batch, of per productielocatie — omdat de gedelegeerde handeling voor de sector bepaalt op welk niveau de unieke identificatiecode moet aansluiten. Vervolgens komt de koppeling met het paspoort zelf: de code moet uitleesbaar zijn via de QR-datadrager op het product, wat vraagt om afstemming tussen de interne codering en de technische opzet van het paspoort. Ferropas.eu verzorgt die koppeling: op basis van de gegevens die de fabrikant of importeur aanlevert, wordt het paspoort samengesteld, tien jaar gehost, en wordt de QR-datadrager geleverd die naar de unieke identificatiecode en het bijbehorende paspoort verwijst. Wie nu al nadenkt over de eigen productcodering hoeft later dus geen systeem meer op te tuigen, maar kan aansluiten op wat er al staat.
Waar dat staat: artikel 12 en artikel 11 van de ESPR
Artikel 12 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) regelt de unieke identificatiecode zelf: het uitgangspunt dat het digitale productpaspoort aan een unieke code gekoppeld is. Artikel 11 van dezelfde verordening beschrijft het bredere technische kader waarbinnen dat moet functioneren: hoe het paspoort technisch is opgezet, hoe het toegankelijk is via de datadrager, en hoe de verschillende elementen van het paspoort — waaronder de identificatiecode — met elkaar samenhangen. Samen vormen deze twee artikelen de basis: artikel 11 voor de technische werking, artikel 12 voor de identificatie die dat systeem bruikbaar maakt.
Wat de lezer nu kan doen
Wie nu al staal of ijzer op de markt brengt, kan zonder op de gedelegeerde handeling te wachten alvast de bestaande interne codering (charge-, batch- of artikelnummers) in kaart brengen en nagaan op welk niveau die code toegekend wordt. Dat werk is niet verloren: het is precies de basis waarop een unieke identificatiecode voor het digitale productpaspoort straks aansluit, en ferropas.eu kan die aansluiting verzorgen zodra de verplichting voor de sector ingaat.
Waar dit op gebaseerd is
- Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), artikel 12 (unieke identificatiecode)
- Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), artikel 11 (technisch ontwerp en werking van het digitale productpaspoort)
De verordening zelf staat op EUR-Lex. Wij verwijzen per bewering; u hoeft ons niet te geloven.
Wat u concreet moet doen
Wat er van u wordt verwacht
Artikel 12 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) verplicht tot een unieke identificatiecode per product waarvoor het digitale productpaspoort geldt. Die code is de sleutel waarmee het paspoort teruggevonden en gekoppeld kan worden aan het juiste fysieke product. Wat dat concreet betekent, valt in een paar losse verplichtingen uiteen.
Elk product herkenbaar maken met een eigen code
De code moet het product ondubbelzinnig onderscheiden van andere producten, ook van andere exemplaren van hetzelfde model. Voor een bedrijf van 10 tot 100 medewerkers betekent dit meestal dat de bestaande interne артikelnummering niet zonder meer volstaat: die is vaak per model of per order opgezet, niet per fysiek stuk of per batch. Er moet een systematiek komen die op het niveau werkt waarop het paspoort wordt uitgegeven. Of dat per stuk of per partij gebeurt, hangt af van het product en is nader uitgewerkt in het onderwerp Registreer ik staal per batch of per stuk?.
De code koppelen aan het juiste paspoort
De identificatiecode moet verwijzen naar één specifiek paspoort, en dat paspoort moet op zijn beurt de juiste, actuele gegevens tonen. Dit raakt direct aan artikel 11 van de ESPR, dat eisen stelt aan het technisch ontwerp en de werking van het paspoort zelf. In de praktijk vraagt dit om een sluitende koppeling tussen de code, de gegevensdrager (meestal een QR-code) en de plek waar de paspoortgegevens daadwerkelijk staan. Bedrijven die al met een ERP- of voorraadsysteem werken, doen er goed aan te bekijken hoe die koppeling technisch tot stand komt; zie Kan ik het productpaspoort koppelen aan mijn ERP- of voorraadsysteem?.
Zorgen dat de code uniek blijft, ook na verkoop of doorvoer
Een identificatiecode die uniek is op het moment van uitgifte, moet dat ook blijven als het product van eigenaar wisselt, wordt bewerkt of via een tussenhandelaar verder gaat. Voor metaalverwerkers en staalhandelaren die halffabricaten inkopen, bewerken en doorverkopen, betekent dit dat de herkomstcode van de oorspronkelijke fabrikant niet verloren mag raken in het eigen proces. Wanneer een product in meerdere stappen verwerkt wordt en er ontstaan tussentijds nieuwe producteenheden, kan de vraag spelen of er sprake is van één paspoort of van meerdere gekoppelde paspoorten; dat onderwerp wordt behandeld in Mijn product heeft meerdere productpaspoorten nodig — hoe werkt dat samen?.
De code registreren waar dat wordt vereist
Naast de koppeling aan het paspoort zelf, is er de vraag of en hoe de identificatiecode ook op een centraal niveau bekend moet zijn. Dat raakt aan het bredere systeem van registratie rond het paspoort, waarover meer te vinden is bij Wat is het register van digitale productpaspoorten en wat moet ik daarin zetten?.
Waar het misgaat in de praktijk
Het interne artikelnummer wordt hergebruikt als productcode. Veel bedrijven hebben al een nummeringssysteem voor voorraadbeheer of facturatie. Dat systeem is meestal niet ontworpen om uniek te zijn op het niveau dat het paspoort vereist, en zeker niet om buiten het eigen bedrijf herkenbaar te zijn. Zonder aanpassing ontstaat het risico dat twee verschillende fysieke producten toch dezelfde code krijgen, of dat de code niets zegt buiten de eigen administratie.
De code wordt los van het paspoort beheerd. In sommige gevallen wordt de identificatiecode aangemaakt door één afdeling of systeem, terwijl het paspoort zelf door een andere partij wordt samengesteld en gehost. Als die twee niet goed op elkaar aansluiten, ontstaat een paspoort dat wel bestaat, maar niet vindbaar is via de code die op het product staat.
Bij bewerking van staal verandert het product, maar niet de code. Een plaat of profiel dat wordt verzaagd, gecoat of anderszins bewerkt, kan in de praktijk een ander product worden dan het oorspronkelijke halffabricaat. Wanneer de oude identificatiecode dan gewoon wordt overgenomen, terwijl de eigenschappen van het product zijn veranderd, sluit de code niet meer aan op wat er feitelijk aan gegevens bij het product hoort.
De code wordt niet meegenomen bij kleine of losse onderdelen. Bij kleinere stukken staal is er niet altijd fysieke ruimte om een volledige code of QR-code aan te brengen, waardoor de koppeling tussen fysiek product en digitale code onder druk komt te staan. Dit speelt met name bij kleinere onderdelen; zie hoe krijg ik een qr code op een heel klein stukje staal.
Er wordt geen rekening gehouden met de levensduur van de code. Een identificatiecode die tien jaar of langer moet blijven verwijzen naar een bestaand paspoort, vraagt om een beheersysteem dat langer meegaat dan het huidige ERP-pakket of de huidige leverancier van de hostingdienst. Wordt dat niet vastgelegd, dan ontstaat het risico dat de code op een gegeven moment wel op het product staat, maar nergens meer naar verwijst.
Wat u kunt vastleggen
- De systematiek waarmee identificatiecodes worden toegekend: per stuk, per batch, of per model, met de reden voor die keuze.
- De koppeling tussen het interne artikelnummer (indien gebruikt) en de externe identificatiecode van het paspoort, zodat beide systemen op elkaar te herleiden blijven.
- Afspraken met de partij die het paspoort samenstelt en host over wie de identificatiecode toekent en wie verantwoordelijk is voor het actueel houden van de koppeling.
- Een procedure voor het moment waarop een product wordt bewerkt, gesplitst of samengevoegd, met vastlegging van welke identificatiecode daarna geldt.
- De manier waarop de code technisch wordt aangebracht op het product of de verpakking, inclusief afwijkende oplossingen voor kleine onderdelen.
- Een overzicht van welk gegevensformaat wordt aangeleverd bij het samenstellen van het paspoort, waarover meer te vinden is bij in welk formaat moet ik de gegevens aanleveren voor het productpaspoort.
Voor elk van deze punten geldt dat vastlegging vooraf minder werk oplevert dan reconstructie achteraf, zeker wanneer een product jaren na uitgifte van het paspoort nog herkenbaar moet zijn.
Dit is geen juridisch advies. Deze pagina geeft algemene informatie over de regelgeving waar dit platform over gaat. Wij kennen uw situatie niet. Bij twijfel over uw eigen geval raadpleegt u een jurist of de bevoegde toezichthouder.
Geschreven met AI op basis van de bronnen hierboven, gecontroleerd door een mens op 2026-08-22. Klopt er iets niet? Laat het weten — correcties krijgen voorrang.