Volgens welke methode moet ik de waarden voor het paspoort meten?
Meetmethode voor staal ligt nog niet vast
Voor ijzer en staal is nog niet vastgelegd volgens welke testmethode, meetmethode of berekeningsmethode de waarden voor het digitaal productpaspoort moeten worden bepaald. De ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) regelt in artikel 39 wél hoe dat straks gaat werken: voor elke productgroep waarvoor eisen worden gesteld, komt er een vastgelegde methode, bij voorkeur via een geharmoniseerde norm die in het Publicatieblad van de EU wordt aangekondigd. Zolang zo'n norm er niet is, kan gebruik worden gemaakt van andere betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare methoden. Voor staal en ijzer bestaat die specifieke invulling nu nog niet; die komt pas met de gedelegeerde handeling die de eisen voor deze productgroep vaststelt.
Voor welke waarden dit gaat gelden — en wat er los van staat
Dit onderwerp gaat over de manier waarop een waarde in het paspoort wordt vastgesteld: bijvoorbeeld hoe een percentage gerecycled materiaal, een CO2-voetafdruk of een mechanische eigenschap wordt gemeten of berekend. Het gaat niet over de vraag welke waarden verplicht in het paspoort moeten staan — dat wordt apart geregeld via de prestatie- en informatievereisten uit de artikelen 5 tot en met 7 van de ESPR. De meetmethode en de inhoudseis zijn dus twee aparte stappen: eerst bepaalt de wetgever wát gemeten wordt, dan bepaalt artikel 39 hóe dat gemeten wordt. Voor staal en ijzer is op dit moment geen van beide al productspecifiek ingevuld. Bestaande normen die in de staalsector al gangbaar zijn voor andere doeleinden — bijvoorbeeld voor CE-markering of kwaliteitscertificering — zijn niet automatisch dezelfde normen die straks voor het productpaspoort worden voorgeschreven, ook al is overlap goed denkbaar.
Nog geen datum, wel een vaste route
Er is nog geen datum waarop de meetmethode voor ijzer en staal vaststaat. Die datum hangt samen met het bredere tijdpad van de ESPR: het werkplan 2025-2030 voorziet in een eerste gedelegeerde handeling in 2026, met verplichtingen die daarna nog een periode later ingaan. Zolang de gedelegeerde handeling voor ijzer en staal niet is gepubliceerd, is er geen wettelijk voorgeschreven meetmethode voor het paspoort van deze productgroep. Dat betekent niet dat er niets gebeurt: de Commissie werkt volgens een vaste route, waarbij normalisatie-instellingen doorgaans eerst worden gevraagd om een geharmoniseerde norm te ontwikkelen. Tot die norm er is en is aangewezen, is er in de praktijk geen uniforme, verplichte meetmethode voor deze sector.
Wat dit betekent voor de voorbereiding
Wie zich nu al voorbereidt op het productpaspoort voor staal, kan het beste in deze volgorde te werk gaan. Eerst: volgen welke gedelegeerde handeling voor ijzer en staal wordt gepubliceerd, want die bepaalt zowel de inhoudseisen als de verwijzing naar de meetmethode. Daarna: nagaan of daarbij een geharmoniseerde norm wordt aangewezen, en zo ja, welke — dat is de norm waarop de meting moet aansluiten. Ondertussen is het zinvol om de eigen meet- en testgegevens die al beschikbaar zijn (bijvoorbeeld uit bestaande kwaliteitscontroles, milieuverklaringen of ketenrapportages) op orde te houden en herleidbaar te maken, zodat ze later eenvoudig kunnen worden getoetst aan de dan geldende methode. Het heeft geen zin om nu al een methode te kiezen en daarop in te richten, omdat niet vaststaat of die methode overeenkomt met wat de gedelegeerde handeling straks voorschrijft. Bedrijven die als fabrikant of importeur optreden — de partijen van wie Ferropas de brongegevens voor het paspoort verzamelt — doen er goed aan om de aankondigingen van de Europese Commissie over deze gedelegeerde handeling in de gaten te houden, of dit via een branchevereniging te laten monitoren.
De wettelijke basis: artikel 39 en de artikelen 5 tot en met 7
Dat er per productgroep een vastgelegde meetmethode komt, volgt uit artikel 39 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781), dat gaat over test-, meet- en berekeningsmethoden. Dit artikel regelt de voorkeur voor geharmoniseerde normen en wat er geldt zolang die er nog niet zijn. Welke waarden precies gemeten moeten worden — de inhoud van de eisen zelf — volgt uit de artikelen 5 tot en met 7 van dezelfde verordening, over de vereisten inzake ecologisch ontwerp en de prestatie- en informatievereisten. Beide onderdelen worden voor iedere productgroep afzonderlijk uitgewerkt in een gedelegeerde handeling; voor ijzer en staal is die handeling er nog niet.
Wat je nu kunt doen
Houd de publicatie van de gedelegeerde handeling voor ijzer en staal in de gaten, bewaar bestaande meet- en testgegevens op een herleidbare manier, en stel de keuze voor een specifieke meetmethode uit tot de officiële norm of methode is aangewezen. Deze pagina wordt bijgewerkt zodra de Europese Commissie de meetmethode voor deze productgroep publiceert.
Waar dit op gebaseerd is
- Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), artikel 39 (test-, meet- en berekeningsmethoden)
- Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), artikelen 5 tot en met 7 (vereisten inzake ecologisch ontwerp, prestatie- en informatievereisten)
De verordening zelf staat op EUR-Lex. Wij verwijzen per bewering; u hoeft ons niet te geloven.
Wat u concreet moet doen
Wat er van u wordt verwacht
De ESPR regelt in artikel 39 dat waarden die voor het productpaspoort worden gebruikt, moeten steunen op test-, meet- of berekeningsmethoden die betrouwbaar, nauwkeurig en reproduceerbaar zijn. Dat is geen losstaande eis: artikel 39 werkt samen met de artikelen 5 tot en met 7, waarin staat welke prestatie- en informatievereisten per productgroep worden vastgesteld. Voor staal en andere ijzerproducten worden die methoden ingevuld via gedelegeerde handelingen per productgroep — die specifieke methode voor staal ligt er nog niet.
De methode moet betrouwbaar, nauwkeurig en reproduceerbaar zijn
Praktisch betekent dit dat een bedrijf van 10 tot 100 medewerkers niet zomaar een eigen rekenwijze mag hanteren en die als definitief mag presenteren. De verordening vraagt om een methode die door een ander bedrijf, met dezelfde grondstof en hetzelfde proces, tot een vergelijkbare uitkomst zou leiden. Voor een metaalverwerker die bijvoorbeeld het aandeel schroot in de smelt opgeeft, of de CO2-uitstoot per ton staal berekent, is dit reden om niet te vertrouwen op een intern Excel-model zonder onderbouwing, maar op een methode die aansluit bij wat straks in de gedelegeerde handeling wordt vastgelegd. Zie hierover ook hoe u het aandeel schroot in de smelt vastlegt en hoe u de CO2-uitstoot per ton staal aantoont.
De methode volgt uit de productgroep-specifieke uitvoeringsregels
Artikel 5 tot en met 7 ESPR bepalen dat de eisen per productgroep worden uitgewerkt, en artikel 39 sluit daarop aan door te bepalen dat ook de bijbehorende meetmethode per productgroep wordt vastgesteld — niet generiek voor alle producten tegelijk. Voor een staalhandel of constructiebedrijf betekent dit dat de methode die voor bijvoorbeeld meubels of elektronica wordt vastgesteld, niet zonder meer overdraagbaar is naar halffabricaten van ijzer en staal. Er wordt gewacht op een eigen invulling voor deze productgroep, en tot die tijd is er geen wettelijk voorgeschreven rekenwijze om op te steunen.
Bestaande normen kunnen als basis dienen, maar zijn niet automatisch de ESPR-methode
Veel bedrijven werken al met normen zoals EN-normen voor staalsoorten, of met CO2-berekeningen volgens bestaande sectorafspraken. Artikel 39 laat ruimte om aan te sluiten bij erkende normen, maar dat gebeurt pas met zekerheid zodra de gedelegeerde handeling verwijst naar een specifieke norm of testmethode. Voor een bedrijf dat nu al met een certificaat volgens EN 10204 werkt, is het zinvol om te bekijken hoe dat certificaat zich verhoudt tot het toekomstige paspoort — zie hoe een keuringscertificaat 3.1 zich verhoudt tot het productpaspoort. Dat certificaat toont nu al iets aan, maar het is nog niet gezegd of het dezelfde methode dekt die straks voor het paspoort wordt gevraagd.
De methode moet controleerbaar zijn voor derden
Een terugkerend element in artikel 39 is dat de gebruikte methode invulling geeft aan de mogelijkheid tot controle: een waarde in het paspoort moet naspeurbaar zijn tot de manier waarop die is bepaald. Voor een bedrijf van deze omvang betekent dit dat niet alleen de uitkomst (een getal) wordt vastgelegd, maar ook hoe dat getal is ontstaan: welke meetapparatuur, welke steekproef, welke berekeningsformule. Wie moet nagaan wie die onderliggende gegevens mag inzien, leest daarover meer bij wie welke gegevens uit het productpaspoort mag inzien.
Waar het misgaat in de praktijk
Een eerste situatie die vaak terugkomt: een bedrijf gebruikt een interne rekenmethode voor CO2-uitstoot die is opgebouwd voor een ander doel (bijvoorbeeld een klantrapportage), en past die methode één-op-één toe op het paspoort zonder te toetsen of die aansluit bij wat de ESPR-methode straks vraagt.
Een tweede: een leverancier van legeringen levert waarden aan zonder te vermelden welke testmethode daarbij is gebruikt, waardoor de ontvanger een getal krijgt dat niet herleidbaar is. Dat raakt ook de vraag welke legeringselementen gemeld moeten worden — een gemeld percentage zonder methode is moeilijk te verifiëren.
Een derde situatie: een bedrijf verwart de norm waarmee de staalsoort is aangeduid met de methode waarmee een prestatiewaarde (zoals recyclebaarheid) is bepaald. Dit zijn twee verschillende dingen — de norm zegt iets over het soort staal, de methode zegt iets over hoe een eigenschap is gemeten. Wie dit uit elkaar wil houden, kan dit vergelijken met hoe staalsoort en norm worden vastgelegd tegenover hoe recyclebaarheid wordt aangetoond.
Een vierde: een bedrijf wacht de definitieve methode niet af en publiceert alvast waarden op basis van een aanname, zonder dat die aanname als zodanig herkenbaar wordt gemaakt. Zodra de gedelegeerde handeling verschijnt, kan dit tot een nodige aanpassing van al gepubliceerde paspoorten leiden.
Een vijfde: een bedrijf gaat ervan uit dat de meetmethode voor het paspoort dezelfde is als de methode die voor CBAM-rapportage wordt gebruikt. Beide regelingen kennen eigen definities en berekeningswijzen; wie dat wil vergelijken, vindt meer over die andere regeling bij wat CBAM betekent voor de invoer van staal.
Wat u kunt vastleggen
- Een overzicht van welke waarden nu al worden gemeten of berekend, en volgens welke methode dat gebeurt (intern protocol, norm, certificaat).
- De bronverwijzing bij elke waarde: welk testrapport, welke steekproef, welke berekeningsformule aan de basis ligt.
- Een aantekening bij elke waarde die nog niet volgens een vastgestelde ESPR-methode is bepaald, zodat deze later makkelijk is terug te vinden en aan te passen.
- Correspondentie met toeleveranciers over de methode waarmee zij hun waarden (bijvoorbeeld legeringspercentages of schrootaandeel) hebben bepaald.
- Een vergelijking tussen bestaande certificaten (zoals 3.1-keuringscertificaten) en de gegevens die het paspoort straks vraagt, zodat duidelijk is welk deel al gedekt is en welk deel nog ontbreekt.
- Een logboek van wijzigingen in meetmethoden, zodat bij een latere controle duidelijk is welke methode op welk moment is gebruikt.
Dit is geen juridisch advies. Deze pagina geeft algemene informatie over de regelgeving waar dit platform over gaat. Wij kennen uw situatie niet. Bij twijfel over uw eigen geval raadpleegt u een jurist of de bevoegde toezichthouder.
Geschreven met AI op basis van de bronnen hierboven, gecontroleerd door een mens op 2026-08-22. Klopt er iets niet? Laat het weten — correcties krijgen voorrang.